'Maar
als het tóch waar is?’ Bang kijkt hij me aan. Onze zoon van elf heeft van een
vriendje de onheilstijding gekregen dat een komeet de aarde en al het leven
daarop zal gaan vernietigen. Huilend heeft hij me deelgenoot gemaakt van zijn
angst. Samen zitten we nu voor de computer en tellen het grote aantal
Google-hits, waarin de naam van de komeet automatisch gerelateerd wordt aan de
term ‘broodje aap’. Het stelt hem voor dat moment gerust, en ik ben blij dat me
dat gelukt is. Een kind hoort niet bang te zijn voor de dood…
Een
paar dagen later komt hij met een
trillende onderlip van de trap af. De angst blijkt hardnekkig en heeft opnieuw
de kop op gestoken. Met name dat gegeven zet me aan het denken. Waar is hij zo bang
voor? Nog steeds de komeet? Het onvermijdelijke einde? Of zijn het de gedachten
over het verlies van datgene dat hij niet wil verliezen? Wat is er over als
iedereen in je omgeving sterft? Dan blijf je alleen achter en wat heb je dan
nog? Maakt hij zich ongerust over zijn eigen sterfelijkheid of denkt hij aan de
onze? De komeet is ongetwijfeld de aanleiding, maar zit de angst niet veel
dieper? Zelf kijk je ook wel eens hoe laat het is op je biologische klok. En
dan overtuig je jezelf dat half twaalf nog een heel eind af is van vijf voor twaalf,
maar toch. Dingen zijn eindig en onze Mees lijkt dat te voelen. Of vul ik dan
teveel in, vraag ik mezelf af. Zit hij er misschien veel aardser in en denkt
hij aan de fysieke pijn van zo’n enorme inslag? Wat het ook is, je wil als
ouder je kind niet bang zien. Dus probeer ik hem opnieuw gerust te stellen. ‘Je
hoeft niet bang te zijn, Mees’… de woorden worden gevolgd door de zakelijke
uitleg van het broodje-aap gehalte van de gewraakte komeet. De angst verdwijnt echter
niet uit zijn ogen. Ik sla mijn armen om hem heen en ik voel meteen dat in de
geborgenheid van die omarming de spanning uit zijn lijf stroomt. ‘Je bent bang
hé?’ Mees laat zijn tranen de vrije loop terwijl ik hem vasthoud en stevig
tegen me aandruk. Even niks meer zeggen, schiet het als een komeet door mijn
hoofd. Kille uitleg maakt plaats voor warm gevoel en dat blijkt veel beter te
werken. Het huilen stopt na verloop van tijd en lijkt een bevrijdende werking
te hebben gehad. We praten nog wat na en hij gaat weer naar bed. ’s Morgens
vertelt hij lekker geslapen te hebben. Gelukkig.
Voor
nu. Want hij is een denker. Filosoofje in de dop. Dus zal het zeker een keer
opnieuw ter sprake komen. Dat had bijvoorbeeld al gekund bij het onlangs gevonden
dode spitsmuisje, dat hij samen met een ander vriendje in onze tuin heeft
begraven. We hebben het toen niet over de dood gehad. Misschien omdat mijn
opmerking dat ze ‘blij waren met een dode muis’ wat verkeerd getimed was, maar
goed. Soms kan je ook met humor een tegen-emotie oproepen is mijn ervaring. Mees
en zijn vriendje zullen best wat woorden hebben gewisseld tijdens de
‘begrafenis’. Maar hebben vooral ook gehandeld. Een houten kruisje gemaakt. Een
bedje van bloemen gelegd. Emoties gedeeld. Mooi om te zien. En goed om van te
leren. Ratio versus emotie. Mannen die van Mars komen en vrouwen van Venus en
dat soort dingen. De waardevolle kracht van contrasten. Zonder dood geen leven.
Zonder zwart geen wit en zonder geluid geen stilte. Ik word er stil van. Zo
stil dat je een muis kunt horen vallen…Op school hebben ze verdraaide
spreekwoorden gehad vandaag. ‘Om je dood te lachen, pap’…Hij geniet weer. Lief
ventje. Echt waar.