Ik ben opnieuw op de gesloten afdeling van het verpleeghuis. Bij de
vrouw die niet meer weet dat ze de moeder is van mijn vrouw. Die kwijt
is dat ze de oma is van mijn dochter. De buitenkant is er nog, maar de
binnenkant raakt langzaam leeg. Zij woont tussen nog dieper demente
bejaarden die –wrang maar godzijdank ook zielsgelukkig- in poppen en
knuffels geborgenheid en veiligheid vinden. Van binnen zó oud, dat ze
aan de buitenkant weer kind worden. Het zijn allemaal voelbare,
zichtbare of hoorbare tegenstellingen. En iedere keer opnieuw zo
confronterend. Als je dement wordt dan verlies je jezelf. Verlies je
vandaag en morgen. En als het proces van binnen maar lang genoeg
doorgaat dan verlies je gisteren ook. Dan blijft er enkel grijze
dofheid over in de ogen. Dan zit er mist op de ziel…
Heel soms is die mist wat minder dicht. Trekken er flarden op en
zijn er tekenen van herkenning. Het boek gaat een momentje open en een
paar regels worden leesbaar. Door een aanraking, een beeld of een
geluid is er even contact met de werkelijkheid. Het wordt door zonen en
dochters gekoesterd als spaarzame bewijzen van bewustheid. Steeds
zeldzamer wordende momenten van zielsgeluk… Even gevonden wat kwijt is.
Een paar tellen vastgehouden, gekoesterd en dan noodgedwongen weer
laten gaan. Het kan helaas niet anders. Je moet het loslaten… Je moet
háár loslaten. Achterlaten in geslotenheid. Maar die pop, die mag ze
houden. Houd ze maar stevig vast en knuffel haar… vandaag… dag mam…tot
morgen. Of tot gisteren… Waar je ook bent. Dag mam…